Het jaar van de thought leader

Het jaar van de thought leader

Nu de samenleving voor grote uitdagingen staat, is één ding duidelijk: als we blijven doen wat we deden, krijgen we wat we kregen. Het nieuwe jaar vraagt om nieuwe uitgangspunten en anders kijken naar onderwerpen. Laat dat nu nét de kern zijn van een thought leadershipstrategie. Hoe zorg je als communicatieprofessional dat jouw organisatie als thought leader wordt gezien?

Behoefte aan vernieuwende perspectieven en oplossingen

De coronapandemie, de wooncrisis, het klimaat, het hybride werken, digitalisering, cyberdreigingen een krappe arbeidsmarkt; organisaties zien zich geconfronteerd met tal van grote, complexe uitdagingen die ook nog eens sterk onderling verweven zijn. In 2022 is het wat mij betreft dan ook duidelijk dat wie geen actie onderneemt, de boot mist. Blijf je bijvoorbeeld milieuvervuilend produceren? Dan zoeken je klanten wel een andere organisatie die dat niet doet. Bied je geen faciliteiten om optimaal thuis te kunnen werken? Medewerkers vinden zo weer een nieuwe werkgever waar dat wel kan.

Er zijn vernieuwende perspectieven nodig om de uitdagingen aan te pakken. Andere producten, diensten, manieren van samenwerken etc. Dat betekent dat ook communicatieprofessionals anders te werk moeten gaan. Ze moeten uitleggen waarom hun organisatie de problemen van hun publiek (of de samenleving als geheel) zo anders aanpakt en waarom zij dat op die manier doen. Daarnaast hebben ze ook een actieve rol in het teweegbrengen van verandering en/of een nieuwe manier van denken. Ik verwacht dan ook dat in 2022 meer dan ooit de nadruk op het novel point of view (een vernieuwend perspectief) van organisaties komt te liggen in de content die zij produceren en verspreiden.

Anders kijken naar maatschappelijke thema’s

Even ter opfrissing, wat is thought leadership ook al weer? Je kan het omschrijven als een strategie waarmee een organisatie zich positioneert en zijn stakeholders met behulp van een novel point of view anders naar onderwerpen laat kijken en hiervoor oplossingen probeert aan te dragen. Vaak zijn deze onderwerpen sectoroverstijgend en dienen ze een algemeen belang. Neem bijvoorbeeld een bedrijf dat besluit zijn CO2-uitstoot naar 0 terug te brengen. Tegenwoordig is dat niks nieuws meer, vijftien jaar geleden was dat nog wel zo en was het bedrijf daarmee wellicht een trendsetter. Als de markt dat ook zo erkende, werd het bedrijf op termijn als thought leader gezien. Want een thought leader ben je alleen als je over een langere periode ook zo gezien wordt door de markt of samenleving, je bent het niet omdat je het zelf voortdurend roept. Integendeel!

Onlangs las ik over een nieuwe aanpak rondom de verzekerbaarheid van deelmobiliteit. Iedereen kent deelscooters en ziet hoe deze soms worden behandeld door hun bestuurders. Verhuurders krijgen ze vaker wel dan niet beschadigd terug en dat is een probleem. Verzekeraars zien dit ook, waardoor het voor verhuurders lastiger wordt om hun voertuigen nog te verzekeren. In een proef waarin verschillende organisaties deelnemen, wordt dit probleem aangepakt door de verzekerbaarheid om te draaien van het voertuig naar de bestuurder (=novel point of view). Kortgezegd: als je je deelscooter sloopt of onverantwoord rijdt, betaal je daarvoor. Daarnaast werd dit thema gekoppeld aan initiatieven op het gebied van elektrisch rijden en verkeersveiligheid. Ik vind dit een mooi voorbeeld van hoe anders denken en het uitdragen van een novel point of view leidt tot aanpak van sectoroverstijgende problemen.

Zorg voor oplossingsgerichte content

Hoe draag je als communicatieprofessional bij aan thought leadership? Ik denk dat de kern zit in het duidelijk maken van wat je doet en waarom. ‘Wij doen het anders, want…’. Bijvoorbeeld een dakramenfabrikant die in zijn marketingcommunicatie niet zegt ‘wij verkopen dakramen’, maar laat zien dat ze daglicht, frisse lucht en een gezond binnenklimaat verzorgen en daarmee bijdragen aan een gezonde maatschappij. Dat is het novel point of view en als de markt dat ook zo ziet, kan deze fabrikant op termijn als thought leader worden gezien.

In de praktijk zijn er een aantal aandachtspunten die hierbij van belang zijn:

  • Zorg voor een oprecht novel point of view. Als dit in de organisatie niet aanwezig is, moet dit eerst uitgedacht worden. Het kan zeker nodig zijn om nieuwe producten of diensten te bedenken, maar dat hoeft niet per se. Purpose en de ‘why’ van je organisatie zijn erg belangrijk. Je stakeholders hebben het namelijk snel door wanneer je een novel point of view uitdraagt, maar dit niet in de kern van je organisatie zit.
  • Maak en verspreid oplossingsgerichte content. Focus op de problemen waar jouw publiek (of de samenleving als geheel) mee worstelt en bied content waar ze echt op zitten te wachten. Whitepapers, graphics of webinars zijn bijvoorbeeld goede middelen om complexe onderwerpen helder uit te leggen.
  • Werk sectoroverstijgend samen en communiceer daarover. Het klimaat zal je niet in je eentje redden, de wooncrisis laat zich ook lastig door één organisatie tackelen. Zoek naar innovatieve manieren van samenwerken, kom samen tot nieuwe oplossingen en communiceer ook dat je een gezamenlijke aanpak voorstaat. Het eerder genoemde voorbeeld over deelmobiliteit is precies zo’n samenwerking.
  • Durf radicale keuzes te maken. Niet alleen in wat je als organisatie wel/niet doet, ook in je communicatie. Stop met doelloze reclame te maken of het internet te bombarderen met banners en clickbait. Maak content waar je doelgroep echt iets aan heeft en waarin jouw visie duidelijk terugkomt.

Ben je een thought leader als je dit alles doet? Nee, zo werkt het helaas niet. De markt en de samenleving bepalen zelf of jouw organisatie inderdaad zo vernieuwend is als jij wellicht denkt. Ik denk wel dat je een goede stap in de richting zet om op termijn erkend te worden als thought leader wanneer je in 2022 en verder de grote uitdagingen van onze samenleving op deze manier te lijf gaat.

Worstel je met het uitdragen van jouw novel point of view of het maken van oplossingsgerichte content? Neem dan contact op met ons, we denken graag met je mee!

Kenny de Vilder

Consultant, Sterk Werk Communicatie

Strategie ‘vertalen’ naar de werkvloer – deel 2

Strategie ‘vertalen’ naar de werkvloer – deel 2

Veel bedrijven worstelen met de vraag hoe de strategie te vertalen naar de werkvloer. In mijn vorige blog deelde ik mijn visie als communicatieprofessional hierop. Kern van mijn verhaal was dat de crux zit in het betrekken van medewerkers en klanten bij het bepalen en uitwerken van de strategie. Maar hoe doe je dat dan? 

Gebruik onbenut potentieel

Het begint met twee vragen. De eerste vraag. Wie betrek je? Bedenk je wie relevante input heeft, informele leiders zijn, een rol spelen in de besluitvorming, sleutelposities bekleden in primaire processen en belangrijk zijn in het vertellen en delen van de strategie. Zorg dat je die mensen aan boord krijgt. Dat kunnen bijvoorbeeld OR-leden, lijnmanagers, inhoudelijk specialisten, maar ook de receptionist(e), klanten en leveranciers zijn.

Schets de kaders

Vraag twee. In welke mate betrek je ze? We moeten in ieder geval weg bij de opvatting dat strategie het exclusieve domein is van bestuurder, CEO en directie. Natuurlijk, in de praktijk bepaalt de top het ambitieniveau, de richting, de focus. Prima. De praktische invulling en uitwerking ervan kan in de regel echter lager binnen èn buiten de organisatie worden gelegd. Voorbeeld: wij willen de beste werkgever in onze sector zijn en hierdoor de grootste talenten aantrekken en behouden. Waarom zou je hier een recruiter of headhunter, manager compensation & benefits, lijnmanager, stagiaire en young potential uit de organisatie niet mee aan de slag laten gaan? Een simpel en voor de hand liggend voorbeeld, maar je het kunt ook toepassen op doelstellingen als de meest inclusieve en diverse werkgever in je sector zijn. Haal ideeën op uit de hele organisatie. Mijn eigen ervaring is dat je soms uit onverwachte hoek de beste suggesties krijgt. Denk daarom niet alleen maar in functies, maar verbreed je scope.  

Maak het leuk

Vervolgens is het tijd om de vorm en het proces van de co-creatie van de strategie te bepalen. Wees creatief. Zorg dat mensen willen bijdragen. Doordat het leuk en aantrekkelijk is om mee te doen. Sla een boek open met werkvormen, vraag advies aan een trainer. Gebruik design thinking, organiseer een Lagerhuisdebat, TEDx-sessie of doe bijvoorbeeld een braindump. En zorg dat de ideeën, acties en plannen die hieruit volgen een podium krijgen en onderdeel worden van de uitgewerkte strategie.

Koppel terug

Belangrijke rol in dit alles is er voor de facilitator, begeleider. In de regel een communicatieprofessional. Die moet op voorhand het proces schetsen (hoe komt de strategie tot stand, welke stappen worden doorlopen en welke rol heb ik?), de verwachtingen managen en kaders stellen (waar mag ik over meedenken, meebeslissen en aan meewerken?). Tijdens de sessies de dialoog op gang brengen, scherp op de inhoud zijn en na afloop de opbrengst registreren en de opvolging borgen. Want niets frustrerender dan actief deelnemen en geen feedback krijgen op je bijdrage en het vervolg.

Geef vertrouwen

Kern van mijn verhaal: zo ingewikkeld is het niet. Je moet als bestuurder vertrouwen durven geven aan je mensen, als medewerker de kans grijpen om mede vorm te geven aan de toekomst van je werkgever en als communicatieprofessional dit proces faciliteren en begeleiden. Mooi vak hebben wij, vind je niet?

Wil je eens sparren of advies over hoe je draagvlak realiseert en betrokken medewerkers krijgt? Neem gerust contact met mij op!

Jos van der Pluijm

Senior consultant, Sterk Werk Communicatie

Media-aandacht genereren met persberichten: deel 2 – het schrijftraject

Media-aandacht genereren met persberichten: deel 2 – het schrijftraject

Het is zover! Je kunt in de digitale pen klimmen om het persbericht te schrijven nadat je alle stappen die ik in deel 1 deelde, bent nagelopen. Maar dan… hoe pak je dat aan? Hoe schrijf je een goed persbericht, wat moet je daarvoor doen? En vooral ook: wat moet je juist niét doen? Je leest het in dit blog over het schrijftraject van persberichten.

Oprolbaar

Erg belangrijk is dat een persbericht ‘oprolbaar’ of ‘opvouwbaar’ is: je begint altijd met het vermelden van het belangrijkste nieuws. Alles wat daarna volgt, dient als uitleg bij het nieuwsitem waarover het bericht gaat. Het belangrijkste nieuws vermeld je dan ook altijd in de allereerste zin van de introductie. Een journalist krijgt tal van persberichten per dag, dus je wilt meteen de aandacht grijpen. Houd de intro sowieso kort: drie tot vier regels is echt voldoende.  Dan ga ik ervan uit dat je écht iets nieuwswaardigs hebt uiteraard, maar dat heb je in het voortraject natuurlijk al bepaald!

Boven de intro staat uiteraard de kop/titel van het persbericht en die wil je kort, kernachtig en pakkend houden. Ik probeer hem zelf altijd op één regel te krijgen, hoewel er uitzonderingen mogelijk zijn, bijvoorbeeld bij producten of diensten met een enorm lange naam. Wat ik ook altijd doe, is de titel pas als laatste onderdeel van het persbericht schrijven. Je hebt dan al het hele bericht geschreven, waardoor je goed kunt bepalen hoe je het belangrijkste nieuws op een leuke manier in een titel kunt verwerken.

Werk je op basis van informatie uit een nieuw onderzoek of rapport? Vermeld dan na de intro kort om welk onderzoek het gaat, indien mogelijk met een directe link. Noem ook enkele belangrijke gegevens uit de studie, zoals aantal respondenten, wanneer het werd uitgevoerd en door wie etc. Zo weet een journalist waar jouw nieuws vandaan komt en waar meer informatie is te vinden.

Mand!

Qua lengte is er een belangrijke tip: houd het persbericht beknopt. Helaas zie ik nog al te vaak persberichten langskomen die, echt waar, meer dan duizend woorden tellen. Wat mij betreft is er een belangrijke les, namelijk dat als het korter kan, het korter moet. Mand! Een lengte van ongeveer 500-600 woorden is echt prima. Twijfel je of alle belangrijke punten in het persbericht moeten? Probeer dan de 2-3 belangrijkste uit te werken en geef aan dat meer informatie te vinden is in het rapport of via de woordvoerder wiens gegevens onderaan het bericht staan. Is een journalist geïnteresseerd, dan neemt hij of zij echt wel contact op of downloaden ze het bronrapport.

Werk in je persbericht met tussenkopjes voor de leesbaarheid, maar beperk dit tot twee of drie stuks. Houd daarnaast rekening met SEO en verwerk enkele slim gekozen zoekwoorden in je bericht. Let op: dat betekent geen overkill aan zoekwoorden, leesbaarheid is wat mij betreft altijd belangrijker dan zoekmachinerobots. Cijfers in het persbericht zijn prima, maar noem altijd waar deze vandaan komen en voorkom dat je in elke zin met percentages of getallen strooit, dat komt de leesbaarheid niet ten goede. Zorg verder dat je niet veel vakjargon of Engelstalige woorden gebruikt. Een voorbeeld: het woord overkill wat ik zojuist opschreef, is ook prima als ‘stortvloed’ te vertalen.

Vermijd Google Translate

Is er vanuit het internationale hoofdkantoor een Engelstalig persbericht beschikbaar gesteld? Trap dan niet in de valkuil om dit door Google Translate te gooien en daarna in het Nederlands uit te sturen! Grote kans dat het dan namelijk vol staat met onleesbare zinnen die weliswaar correcte woorden bevatten, maar niet automatisch tot een goed verhaal leiden. Daarnaast is het vaak een mooie kans om een internationale ontwikkeling te duiden en te relateren aan de Nederlandse situatie. Kijk dus of je nog een quote van een Nederlandse expert kunt verwerken.

In het bericht komt vaak ook een quote van een inhoudelijk expert of woordvoerder. Deze geeft duiding bij de rest van het persbericht en bevat nooit nieuwe informatie. Zorg dat de geciteerde persoon op de hoogte is van de definitieve quote en de algehele strekking van het persbericht.

Ben je vervolgens klaar met het schrijven van het persbericht? Lees het eerst zelf nog eens grondig na en kijk of je in de haast niet ergens een foutje hebt gemaakt. (Speltip: met CONTROL + F en dan twee keer een spatie intikken, haal je er dubbele spaties uit, een veelgemaakte fout) Laat vervolgens ook een collega het bericht nog eens nalezen voordat het wordt verstuurd naar relevante mediacontacten.

Wil je meer weten over hoe je een goed persbericht schrijft of hoe je dit in de juiste mix met andere contentmiddelen inzet om nieuwswaarde te genereren? Neem vrijblijvend contact op, we denken graag met je mee.

Kenny de Vilder

Consultant, Sterk Werk Communicatie

Acht op de tien journalisten hebben te maken met een vorm van agressie of geweld

Acht op de tien journalisten hebben te maken met een vorm van agressie of geweld

De Verenigde Naties hebben 2 november uitgeroepen als Internationale Dag tegen Straffeloosheid van Misdaden tegen Journalisten. Een dag waarop burgers en overheden worden opgeroepen alles in het werk te stellen om journalisten veilig en ongehinderd hun werk te laten doen. Geen overbodige luxe gezien de aard en de omvang van geweldsincidenten tegen deze beroepsgroep.

Vrijheid van pers is in ons land in de Grondwet vastgelegd: “Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet”. Dit grondrecht staat steeds meer onder druk; zowel nationaal en internationaal. Dat komt door nepnieuws, tegenwerking, intimidatie en bedreiging van journalisten. Dit concludeert de organisatie Reporters without Borders (RSF) in haar jaarlijkse ranglijst. Nederland daalt voor het derde jaar op rij en staat nu op plaats 6.

Media in diskrediet

RSF meldt dat Nederlandse journalisten moeizaam toegang hebben tot (overheids)informatie. Inlichtingendiensten schenden de privacy van journalisten en populistische politici brengen de media in diskrediet. Ook hebben journalisten volgens de onderzoekers steeds vaker fysieke bescherming nodig. Dat blijkt onder meer uit de maatregel die de regionale zender Omroep Gelderland onlangs nam om geen verslaggevers meer naar voetbalwedstrijden te sturen omdat hun veiligheid niet langer kan worden gegarandeerd. Verslaggevers van de NOS rijden al geruime tijd in voertuigen rond zonder het zichtbare logo van deze nieuwsorganisatie omdat dit volgens betrokkenen agressie oproept. En wie de items van PowNed bekijkt, ziet ook met regelmaat dat journalisten van dit medium worden geïntimideerd, bespuugd en zelfs geslagen. Volgens de Nederlandse Vereniging van Journalisten heeft acht op de tien journalisten te maken met een vorm van agressie of geweld. Een camerajournalist kreeg deze week van omstanders in Aalsmeer te horen toen hij een brand filmde: “Niet van iemand anders zijn ellende profiteren. Als je terugkomt, trap ik je dood.” Het kan helaas nog erger. Wereldwijd stierven vorig jaar daadwerkelijk 42 journalisten tijdens de uitoefening van hun beroep. Met als tragisch dieptepunt in ons land de moord op misdaadverslaggever Peter R. de Vries.

Loze belofte

Nog even terug naar de RSF-ranglijst. Hekkensluiters van de onderzochte 180 landen zijn China, Noord-Korea, Turkmenistan en Eritrea. Dichterbij huis zijn er ook zorgelijke EU-noteringen zichtbaar zoals Hongarije (92) en Bulgarije (112). Verder valt ook de gestage daling van Polen op (van 62 naar 64) zo blijkt uit een analyse van de NOS. “Het lijkt een ver-van-mijn-bed-show, maar ook in Nederland kan de persvrijheid in gevaar komen”, waarschuwen hoofdredacteuren uit deze landen in een vraaggesprek. “Het gebeurt namelijk in kleine stapjes”, zegt Teodora Peeva, hoofdredacteur van de Bulgaarse krant Sega. “Het is een langzaam proces van jaren”, zegt ook Veronika Munk, die leidinggeeft aan de Hongaarse nieuwssite Telex. “Het begint met ogenschijnlijk onschuldige stapjes. Eerst krijg je moeilijk informatie los van de autoriteiten en vervolgens worden je vragen helemaal niet meer beantwoord.” Ook in Rusland is de persvrijheid in hoog tempo aan het verdampen, zo vertelde journalist Derek Sauer op Radio 1. En na de machtsovername in Afghanistan door de Taliban beloofde het nieuwe regime een vrije en onafhankelijke pers. Het zal niemand verbazen dit een loze belofte is. Mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch meldt dat er sindsdien al meerdere journalisten zijn opgepakt en mishandeld.

Geen symboolpolitiek

“Iedereen is voor persvrijheid, iedereen is voor de vrijheid van meningsuiting en iedereen is voor journalistiek”, zei AD-hoofdredacteur Paul van den Bosch eerder dit jaar. “Maar in de praktijk mag het wel eens wat harder worden benadrukt. Ook door de Overheid (…) En dan iets meer dan symboolpolitiek.” Hij ziet nog iets anders. “Ook mensen die een ingezonden brief sturen naar het AD worden tegenwoordig bedreigd. Dat is weer een nieuwe dimensie”, vertelt de hoofdredacteur. Het gaat dan vaak om stukken die met de coronacrisis te maken hebben. “Mensen die het er niet mee eens zijn, zoeken hun naam op en bedreigen ze.”

Schokkende cijfers

Gelukkig is er niet alleen vandaag aandacht voor persvrijheid. Begin vorige maand werd de Nobelprijs voor de Vrede gekoppeld aan dit thema. De prijs werd uitgereikt aan twee mediarepresentanten in de personen van de Filipijnse journaliste Maria Ressa en haar Russische collega Dmitri Moeratov. “Vrije, onafhankelijke en op feiten gebaseerde journalistiek dient als bescherming tegen machtsmisbruik, leugens en propagandaoorlogen”, aldus Berit Reiss-Andersen, voorzitter van het Nobel Comité. Ze onderstreepte het belang van vrijheid van meningsuiting en persvrijheid in relatie tot vrede en veiligheid in de wereld. Maar dat er nog een lange weg is te gaan, bewijzen de schokkende cijfers. De VN constateerden dat 1 op de 10 misdaden tegen journalisten in het afgelopen decennium tot een veroordeling heeft geleid. Slechts 6% van de 593 moorden op journalisten tussen 2006 en 2013 is opgelost. Wie nu nog steeds denkt dat een vrije, kritische pers met geweld de kop moet worden ingedrukt, neemt de uitspraak van de Amerikaanse schrijver Alan Dershowitz ter harte: “Beledigd worden door vrijheid van meningsuiting moet nooit worden beschouwd als een rechtvaardiging voor geweld.”

Dick van Gooswilligen

Directeur Crisiscommunicatie & Mediatrainingen, Sterk Werk Communicatie

Wat hebben een preek en een interview met elkaar gemeen?

Wat hebben een preek en een interview met elkaar gemeen?

Tijdens media/presentatietrainingen krijgen wij van deelnemers steevast het verzoek: hoe kan ik kort, bondig en boeiend mijn verhaal vertellen? Is dit te leren? Absoluut! Door goed voor te bereiden, te werken met een vaste structuur en door vooral veel te oefenen.

Je mag ervan uit gaan dat mensen die bewust naar je kijken/luisteren in principe geïnteresseerd zijn in je verhaal. Helaas zijn er echter allerlei (neurologische) factoren die ervoor zorgen dat de kijker/luisteraar constant wordt afgeleid. Ooit had de mens een concentratievermogen van twaalf seconden. Door de jaren heen is dat van twaalf naar acht seconden gedaald. Ter vergelijking: een goudvis is doorgaans negen seconden bij de les.

Praktische zelftest

Voor wie de concentratieboog bij zichzelf wil controleren, is er een praktische zelftest. Kijk – zonder aantekeningen te maken – naar een willekeurige uitzending van bijvoorbeeld het NOS Achtuurjournaal. Zet als de uitzending klaar is, alle onderwerpen die zijn behandeld op basis van herinnering in de juiste volgorde op een rij. Geef vervolgens aan wat de journalistieke bouwstenen waren: wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe? Je zult tot de conclusie komen dat er maar bar weinig echt is blijven hangen. Kijk ook eens naar de lengte van de journaal-items en destilleer daaruit hoeveel seconden een woordvoerder daadwerkelijk aan het woord is geweest. Je zult zien dat dit zelden meer dan twintig seconden is. Dat noemen we de kernboodschap en het compact formuleren daarvan vereist dus een goede voorbereiding, structuur en oefenen.

Indutten

Ook mensen die voor een zaal staan overschatten vaak de aandacht van hun gehoor. Na een kwartiertje houden de meeste mensen het vaak al voor gezien en dutten soms letterlijk in of duiken weg in hun smartphone. Volgens het ‘Genootschap Onze Taal’ had de Cubaanse president Fidel Castro daar in 1960 absoluut geen rekening mee gehouden toen hij gedurende vier uur en 29 minuten de vergadering van de Verenigde Naties toesprak. Recordhouder speechen is overigens de Fransman Louis Colet die in 1998 24 uur en 21 minuten achter elkaar sprak. Hij had daarvoor een tekst van zevenhonderd bladzijden over de schilder Salvador Dalí geschreven. Overigens leverde Dalí zelf een van de kortste toespraken ooit af: “Mijn speech is zo kort, dat hij alweer voorbij is.”

Niet kwellen

Kort, bondig, maar ook boeiend formuleren is dus belangrijk. De Duitse schrijver Goethe zei het al: “In de beperking toont zich de meester.” En de Franse wetenschapper Pascal voegde daaraan toe: “Ik schrijf je een lange brief, want ik heb geen tijd voor een korte.” Van recenter datum is de oproep van paus Franciscus die vindt dat een preek niet langer dan tien minuten mag duren. “Een preek is niet bedoeld om de toehoorders te kwellen, maar om hun hart te raken”, aldus een artikel in Trouw. Kortom: zeg wat mensen voelen! Een goede preek bevat net als een goed interview of speech een vaste structuur. Een predikant helpt de toehoorders door de geloofsboodschap heen met behulp van de structuur: verdoemenis, verlossing en sluit af met dankbaarheid. Een boeiende preek wordt ook onderbouwd met aansprekende voorbeelden. Een interview of een speech kent een vergelijkbare opbouw: facts, feelings en fixes. In het Nederlands: wat zijn de feiten en cijfers, welk gevoel/empathie hoort daarbij en wat ga je doen om het (probleem) op te lossen? Ook hier zijn aansprekende voorbeelden de noodzakelijke ingrediënten en het liefst aangevuld met een kernachtige oneliner. Het zou mooi zijn als die in de buurt komen van de historische voorbeelden zoals: “Ich bin ein Berliner”(John F. Kennedy). “I have a dream” (Martin Luther King), “Yes we can (Barack Obama) en “Ik heb er zin an. At your service!” (Pim Fortuyn).

Ieder mediamoment of een publiek optreden geeft de gelegenheid om het verhaal van de organisatie bij een breed publiek over het voetlicht te brengen. Zie het daarom niet als vervelend corvee of een bedreiging, maar steeds opnieuw als een uitgelezen kans. Goede voorbereiding, structuur en oefenen horen daarbij.

Meer weten? Bekijk ons trainingsaanbod of lees onze whitepaper. 

Dick van Gooswilligen

Directeur Crisiscommunicatie & Mediatrainingen, Sterk Werk Communicatie

Strategie ‘vertalen’ naar de werkvloer – deel 1

Strategie ‘vertalen’ naar de werkvloer – deel 1

Veel bedrijven worstelen met de vraag hoe hun strategie te vertalen naar de werkvloer. De vraag om draagvlak te creëren en te zorgen dat alle collega’s de strategie kennen, begrijpen en ernaar handelen, belandt regelmatig op het bureau van de communicatieprofessional. Wanneer? In de regel als de strategie al is bepaald op het hoogste niveau in de organisatie. Oeps, daar gaat het al fout. Hoezo dan? Sterk Werk consultant Jos van der Pluijm schreef hier een blog over.

Twintig jaar in het communicatievak hebben mij veel geleerd. In mijn beginjaren knikte ik namelijk ja als ik de vraag kreeg van de CEO. Ik begon ijverig een batterij aan maatregelen op te tuigen. Het aloude middelendenken overheerste. Iets wat ik overigens nog steeds tegenkom bij verschillende bedrijven en terug krijg van vakgenoten. We doen een roadshow, maken een animatie, hangen visuals op in onze gebouwen, geven iedereen een strategieboekje, besteden er aandacht aan op intranet, in nieuwsbrieven en ons personeelsmagazine. Misschien nog een paar keer herhalen tijdens een personeelsbijeenkomst en klaar is Kees. “Ja, want we hebben het toch op alle mogelijke manieren gedeeld?” Helaas, was het maar zo makkelijk.

Faciliteer, train en coach

Delen is één, maar erover in gesprek gaan en betekenis aan geven is twee. Dus zorg als communicatieprofessional dat je dat faciliteert. Reik technieken en werkvormen aan. Maak het een terugkerend onderwerp op de agenda. Train en coach de leidinggevenden – waar nodig – om daadwerkelijk dialoog te stimuleren in hun bedrijfsonderdeel, afdeling en/of team. Zorg dat de strategie tot leven komt en mensen begrijpen wat er van hen verwacht wordt.

Betrekken in plaats van vertalen

Even terug naar het begin: strategie vertalen naar de werkvloer, draagvlak creëren. Als je er eens goed over nadenkt, klinkt ‘vertalen’ best gek. Alsof de werkvloer een andere taal spreekt en op afstand is. Ja, de realiteit is helaas vaak nog zo. Maar is het ook niet onze rol als communicatieprofessional om daar het gesprek over aan te gaan met de CEO of het directielid? Ik vind van wel. Inmiddels weet ik dat de crux niet zit in het ‘vertalen’ van de strategie naar de werkvloer, maar in het betrekken van de werkvloer in de totstandkoming van de strategie. Wil je draagvlak? Wil je verantwoordelijkheden lager in de organisatie? Wil je betrokken medewerkers? Geef ze een rol. En het liefst ook nog je klanten. Want daar doe je het toch voor?

Kern van mijn verhaal: laat de mensen die de strategie uiteindelijk moeten uitvoeren en de klanten voor wie je het doet meedenken, meewerken en meebeslissen! Hoe dan? Dat leg ik de volgende keer uit in het vervolg van deze tweeluik. Kun je niet wachten? Wij helpen je graag. Neem gerust contact met mij op voor een adviesgesprek.

Jos van der Pluijm

Senior consultant, Sterk Werk Communicatie